Ik geloof in wonderen, Alie Drogt

< — Terug

Het is ongeveer zestien jaar geleden dat ik de Here Jezus leerde kennen. Voor die tijd geloofde ik wel, ik las de Bijbel, maar ik had nooit een echte ontmoeting met Jezus gehad. Toch geloofde ik dat er meer moest zijn en verlangde daar ook naar. Ik zag op een bepaald moment dat er een grote verandering was gekomen in het leven van mijn broer en schoonzus Sjoerd en Betsy. In die tijd was ik veel ziek, al wel zeventien jaar, en ik wilde graag dat ik, maar ook mijn familie, zouden ontvangen wat Sjoerd en Betsy hadden ontvangen.

Ik had veel angstcomplexen en spanningen die ook mijn lichaam aantastten; het kwam zover dat ik in het ziekenhuis terechtkwam met een ondertemperatuur van drieëndertig graden. De doktoren raadden de familie aan maar vast afscheid van mij te nemen. Mijn familie die ook de Here Jezus zochten, baden voor mij. Mijn broer Koop kwam bij mij en zei: Ali ga de Here Jezus aanroepen. Ik kon niet spreken, maar riep met mijn hart tot God.

Op dat moment ging er een warme stroom door mij heen, en God genas mij. Ik ging rechtop in bed zitten en wou naar huis. Eerst wilde de dokter mij niet laten gaan. Hij zei dat mijn naam in een medisch wonderboek zou komen te staan. Ook vroeg hij of ik de Here Jezus had leren kennen; ik was namelijk al zeventien jaar zijn patiënt. Hij zag de verandering die in mijn leven was gekomen.

De eerste nacht thuis kreeg ik opnieuw een ontmoeting met de Heer. Een helder licht, niet met mensenwoorden te beschrijven, maar ik wist dat het licht van God was. Eens had ik tegen God gezegd, toen ik zo ziek was: Heer, U mag mij wel wegnemen, maar redt U alstublieft mijn familie. Ons gezin had tien kinderen die allemaal getrouwd waren en ook al weer kinderen hadden. Mijn oude moeder had haar hele leven voor de redding van haar kinderen gebeden. In die nacht liet God mij zien, dat ze in mijn familie allemaal tot bekering zouden komen. Ze werden in korte tijd dan ook allemaal gedoopt…

God liet mij zien dat we op het kamp een eigen kerk zouden krijgen. Dat is dan ook al spoedig gebeurd. Mijn broer Koop zou de leider/voorganger worden. Ook dit heeft de Here bevestigd, hoewel Koop zelf toen zei: Dat kan niet, ik kan helemaal niet spreken. God heeft dit wonder gedaan, dat Koop nu vaak de diensten leidt. In die nachten sliep ik niet, ik had voortdurend contact met de Heer. God vulde onze wagen met hemelse muziek, dit is niet na te vertellen, want dit bestaat op aarde niet. Ook vertelde God dat er familie uit Hoogeveen tot bekering zou komen; ook dit is gebeurd.

God liet mij zien, op ons tapijt, een smal pad, met mooi wit grind; dit was de smalle weg, en God zei, dat ik daarop moest blijven wandelen. Voor mijn bekering had ik toch altijd een verlangen naar God. Ik las de Bijbel wel, ging naar de kerk, maar kende niet de verlossing van Jezus, niet Zijn liefde en de grote genade waaruit ik nu mag leven. Pas als we in het licht van God mogen wandelen, wordt ons duidelijk in welke diepe duisternis we geleefd hebben. Onlangs kreeg ik klachten in mijn rug wat duidde op een nier-aandoening. Ik herkende deze pijn, omdat ik voor mijn bekering al een nier-operatie had ondergaan, waarbij de dokter één van mijn twee nieren had weggenomen. Ik leefde dus nog maar op één nier, en ik schrok toen de huisarts mij doorstuurde naar het ziekenhuis.

Na het nemen van een echo en foto’s bleek er een afwijking, er kwam geen vocht meer door, en er was een verdikking aan de nier. Ik bleef tot God roepen. Vele broeders en zusters hebben met, en voor mij gebeden. Ik geloofde God, en had vooral ‘s nachts een loflied in mijn hart: ‘De Heer is mijn Herder.’ De volgende week moest ik terugkomen voor onderzoek. Dit zou een pijnlijk onderzoek zijn, hierin was God met mij. Het viel allemaal erg mee. Toen ze klaar waren met het onderzoek kreeg ik gelijk de uitslag. De arts liet me de foto’s zien, en zei ontroerd: ‘Mevrouw, het zat er wel, maar nu is het weg.’ Ook liet hij de foto’s zien waar de verdikking had gezeten. Ik kon niet spreken, de arts had geen woorden, maar ik op dat moment ook niet.

Pas toen ik bij mijn man en kinderen was, kon ik weer spreken. God had Zijn belofte opnieuw waargemaakt, de lofzang die God mij gegeven had: ‘De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.’ God had mijn geloof niet beschaamd. Met dit getuigenis wil ik God alleen de ere, en de glorie, maar bovenal de dank brengen, die zulke grote dingen in mijn leven, ons gezin en onze familie heeft gedaan.