Henk Drogt

< — Terug

Ongeveer zestien jaar geleden kwam mijn vrouw Alie tot bekering in de Pinkstergemeente Klein Jeruzalem te Amsterdam. Maar ik, Henk wilde er nog helemaal niets van weten. Een jaar later kreeg ik een droom, in die droom kreeg ik een gezicht te zien.

In dat gezicht zag ik mij op een middag omstreeks drie uur thuiskomen op het oude woonwagenkamp. En ik zag dat er geen mensen meer op het kamp waren. Ik liep weer terug het kamp op waar mijn familie stond. Toen ik daar naar toeliep zag ik in de verte heel veel mensen lopen. Zij waren netjes gekleed. Ik hoorde stemgeluiden, maar ik hoorde niet of ze aan het zingen of aan het bidden waren.

Gelukkig kwam ik mijn zwager Pieter tegen. Hij vroeg mij: ‘Waar zijn ze allemaal, want ik zie geen mens.’ Ik antwoordde hem: ‘Ik weet het ook niet, zullen we eens in de stad gaan kijken?’ We gingen samen naar de stad om te kijken of ze daar soms waren. Het was heerlijk weer, de zon scheen. We reden in Zwolle de Dijkstaat in tot de Vispoortenbrug. We zagen een auto op de brug staan waar mensen in zaten, en bij die auto stond een vrouwelijke politie-agent. We liepen er naartoe en vroegen wat er aan de hand was. De agent zei tegen ons: ‘We hebben niet goed opgepast, want de Heer heeft Zijn kinderen opgehaald.’ Op die brug stonden ook mensen, die de Heer stonden te loven en te prijzen en te bidden, en ze huilden dikke tranen. Opeens werd het helemaal donker, alleen de straatlantarens begonnen te branden. Toen ik achteromkeek was het heel donker. Daarna werd ik wakker. Met deze droom in mijn gedachten heb ik maanden rondgelopen. Ik wist niet wat ik daarmee moest doen. Maar de Heer openbaarde mij dat ik de Bijbel moest gaan lezen. Toen ontdekte ik in de Bijbel dat de Heer zijn kinderen had opgenomen. Ik besefte toen dat ik me moest bekeren, en de Heer mocht aannemen. Nu ben ik al vijftien jaar een kind van God, en heb ik al veel zegen van de Heer ontvangen.